• bezoek ons op adres Leidenlaan 16, 6229EZ MAASTRICHT
  • (+31) (0)43 - 350 21 50
  • info@duroi.nl
Alles over Vennootschapsbelasting
Notitie Openingsbalans SVLO
Vennootschapsbelasting  

Auteur: Marijn van Acht

Notitie Openingsbalans SVLO




Verleden week is de langverwachte SVLO-notitie verschenen over de fiscale openingsbalans. In deze nieuwsbrief gaan wij in op de inhoud van de notitie en de praktische toepassing.

Wij realiseren ons dat onderstaand artikel voor de meeste lezers geen alledaagse kost is. Heeft u daarom nog vragen naar aanleiding van dit artikel? Neem dan gerust contact op met onze collega Marijn van Acht.

Inhoud

In de notitie wordt ingegaan op de functie van de fiscale openingsbalans, namelijk:

  1. het toewijzen van de vermogensbestanddelen die tot het vpb-plichtige deel van de gemeente worden gerekend; en
  2. het afscheiden van de waardeontwikkeling die zich vóór en in de belastingplichtige periode hebben voorgedaan.

Ad. 1 vermogensetikettering

Voor de vermogensetikettering wordt onderscheid gemaakt in verplicht ondernemingsvermogen, verplicht niet-ondernemingsvermogen en keuzevermogen. Wanneer een bestanddeel voor ten minste 90% voor het vpb-plichtige onderdeel van de gemeente wordt gebruikt, is sprake van verplicht ondernemingsvermogen. Wanneer een vermogensbestanddeel voor minstens 90% wordt gebruikt voor niet-vpb-plichtige onderdelen, geldt het omgekeerde. Bij een gebruik voor minder dan 90% voor één sfeer, is sprake van keuzevermogen. Er wordt dan een keuze gemaakt aan welke sfeer het vermogensbestanddeel wordt toegerekend.

Bij de etikettering van een niet-splitsbaar vermogensbestanddeel geldt dat óf sprake is van ondernemingsvermogen óf van niet-ondernemingsvermogen. Bij gemengd gebruik wordt wel een kostenverdeling gemaakt aan de verschillende sferen. Wanneer aan het einde van de gebruiksduur een boekwinst of –verlies wordt behaald, komt deze geheel op in de sfeer waaraan het vermogensbestanddeel is toegerekend.

De vermogensetikettering wordt eerst gedaan voor de activa, de schulden die zijn aangegaan ter financiering van de activa volgen deze etikettering. Een gemeente maakt veelal gebruik van totaalfinanciering, waarbij geen 1:1 relatie bestaat tussen de schuld en de individuele vermogensbestanddelen. In de notitie wordt de passage uit de wetgevingsgeschiedenis herhaald, waarin wordt aangegeven dat rekening moet worden gehouden met het risicoprofiel van de verschillende onderdelen van een organisatie om de schuld toe te rekenen. Daarbij zou als pragmatische oplossing kunnen gelden de gebruikelijke financieringsstructuur van private ondernemingen, waarbij weliswaar het rentepercentage geldt dat door de lokale overheid aan de externe geldverstrekker wordt betaald.

Op zichzelf is het bijzonder dat slechts voor één van de twee factoren die een rentelast bepalen bij de marktgegevens kan worden aangesloten. Er wordt dan namelijk wel voor de financieringsverhouding aangesloten bij de markt, deze verhouding is gebaseerd op risico. Het rentepercentage wordt genomen van de organisatie zelf, welke in de markt eveneens zou zijn bepaald op basis van risico. De VVD heeft vragen gesteld over de toepassing van de Capital Allocation Approach. In deze benadering wordt de werkelijk betaalde rente van de organisatie verdeeld naar verhouding van de risicoverdeling bínnen de organisatie, niet met de markt. De voorgestelde pragmatische oplossing sluit daarom niet aan bij het leerstuk van de Capital Allocation Approach.

Ad. 2 waardering

De vermogensbestanddelen die geëtiketteerd worden als ondernemingsvermogen vanaf 1 januari 2016 worden op de fiscale openingsbalans opgenomen tegen de waarde in het economisch verkeer.

“Dit is de prijs, welke bij aanbieding ten verkoop op de meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde zou zijn besteed.”

In de notitie wordt ingegaan op verschillende methoden die de waarde in het economisch verkeer benaderen: de comparatieve benadering, de inkomstenbenadering en de kostenbenadering. Voor het kiezen van de juiste waarderingsmethodiek wordt de volgorde aangehouden:

  1. De hoogste van de directe opbrengstwaarde (vooral bij courante activa of passiva) en de indirecte opbrengstwaarde (vooral bij incourante of specifieke activa of passiva)
  2. Indien wordt gekozen voor de indirecte opbrengstwaarde: de laagste van de gecorrigeerde vervangingswaarde (kostenbenadering) en indirecte opbrengstwaarde (inkomstenbenadering). Om de laagste waarde te bepalen volgt na de eerste waardebepaling de ‘cross check’ van de tweede. Bij verschillen tussen de kostenbenadering en inkomstenbenadering kunnen de verschillen worden verklaard (reconciliatie of verzoening)

Zowel de activa als passiva moeten worden gewaardeerd volgens deze methoden. Dat betekent dat ook bij de waardering van leningen mogelijk een (dis)agiowaardering ontstaat. In de notitie wordt ingegaan op een tweetal vereenvoudigde voorbeelden. In deze voorbeelden wordt uitgegaan van de APV-methode (Adjusted Present Value). Dit is een methode gebaseerd op de NCW (Netto Contante Waarde), waarbij de waarde van de bespaarde belastingen als gevolg van vreemd vermogenfinanciering afzonderlijk tot uitdrukking wordt gebracht in de waardering. In de eerder voorgestelde DCF-methode (Discounted Cash Flow) werd dit belastingvoordeel tot uitdrukking gebracht in de disconteringsvoet die werd bepaald volgens de WACC (Weighted Average Cost of Capital). Het voordeel van de APV-methode is dat er makkelijker gerekend kan worden met een gewijzigde financieringsverhouding, terwijl deze volgens de standaard DCF-methode als een vast gegeven wordt verondersteld. De APV-methode wordt met name gebruikt als het totaalbedrag aan schuld gelijk blijft, maar de verhouding tussen eigen en vreemd vermogen wisselt.

Wat overigens opvalt is dat in de voorbeelden de APV wordt aangegeven als de geëigende methode voor de waardebepaling volgens de inkomstensbenadering. In de praktijk worden verschillende waarderingsmethoden gebruikt, afhankelijk van de aard van de te waarderen onderneming. Op zichzelf is het bijzonder dat in het voorbeeld met de APV-methode de financiering wordt meegewogen in de waardering van de materiële vaste activa. De methode wordt vooral gebruikt voor de waardering van een onderneming als geheel. Overigens zijn er belangrijke aannames bij de APV-methode, zo is de kostenvoet van het eigen vermogen onafhankelijk van de mate waarin de onderneming met vreemd vermogen is gefinancierd en vice versa. Er wordt dus geen rekening gehouden met een hoger risicoprofiel bij een toegenomen hefboomfinanciering. Daarnaast wordt er uitgegaan van cashflows op vaste data in plaats van een continue inkomstenstroom.

Wat verder opvalt in voorbeeld 2, de casus van de gemeentelijke sportinrichting, is dat er over verschillende perioden wordt verdisconteerd. De waarde van de vrije kasstroom voor 2020 (3.314.063) wordt berekend door de kasstroom van 2021 eeuwigdurend contant te maken (262.500*1,01/(9%-1%)). Vervolgens wordt deze met 4 jaar gedisconteerd (1,412). De waarde van de eeuwigdurende kasstroom (3.314.063) is echter de waarde ultimo 2020. Daarmee zou de kasstroom van 2020 (262.500) met vijf jaar moeten worden gedisconteerd (262.500/1,539=170.607) alsmede de waarde van de eeuwigdurende kasstroom (3.314.063) met 5 jaar (3.314.063/1.539= 2.153.913). De contante waarde op t=0 van 2020 e.v. is dan 2.324.520 (170.607 + 2.153.913). Een andere mogelijkheid is om de kasstroom van 2020 eeuwigdurend contant te maken (262.500/(9%-1%)/1,412) = 2.324.520.

Praktische toepassing

De algehele indruk van de notitie is dat het vooral een algemeen fiscaal theoretisch kader omschrijft. De wijze van waardebepaling biedt weinig praktische handvatten voor de praktijk. Het is ook jammer dat niet wordt teruggekomen op de bandbreedte van financieringsverhouding en rente die werd aangegeven in de Handreiking Vennootschapsbelasting en het gemeentelijk grondbedrijf. In hoofdstuk 7 van de Handreiking wordt aangegeven: “Binnen de SVLO verschijnt op termijn een notitie over algemene aspecten bij de openingsbalans. In deze handreiking wordt alleen ingegaan op het element grond in het kader van de openingsbalans.”

Verder wordt in de handreiking grondbedrijf aangegeven dat de definitie die de Hoge Raad hanteert voor de waarde in het economische verkeer “de prijs die bij aanbieding van een zaak ten verkoop op de meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde zou zijn besteed” niet gebruikt kan worden voor grondexploitaties, omdat er geen private partijen sec aan grondexploitaties doen. “Met andere woorden: er bestaat geen markt voor deze projecten. Daardoor is er geen directe opbrengstwaarde te bepalen. Daarom zal op een andere wijze de waarde in het economisch verkeer moeten worden benaderd”.

Uit deze passages uit de handreiking, in combinatie met het algemeen fiscale kader dat wordt geschetst in de notitie over de fiscale openingsbalans, kan mogelijk worden gelezen dat de voorgaande uitlatingen en voorbeeldberekeningen voor de grondexploitaties onverminderd van kracht blijven. Dat wil zeggen de waardebepaling volgens de WACC van de gemeente, waarbij in het rekenvoorbeeld van de SVLO de rendementseis over het eigen vermogen gelijk wordt gesteld aan de rentevoet over het vreemd vermogen en de nominale waardering van vreemd vermogen op de openingsbalans.

Wanneer gemeenten buiten de SVLO-bandbreedtes vallen, zou deze nieuwe notitie gelden. Daarbij lijkt het echter niet logisch dat een andere waarderingsmethode zou worden gehanteerd dan de DCF-methode, immers wordt aangegeven dat er geen directe opbrengstwaarde voor grondposities kan worden bepaald. Hier doet een financieringsverhouding niets aan af. Bovendien wordt in de Handreiking ook aangegeven dat mag worden uitgegaan van de werkelijke cijfers, als deze cijfers binnen de aangegeven bandbreedtes vallen. Hiermee lijkt de financieringsverhouding dan ook bepalend voor het gebruik van de werkelijke cijfers in de DCF-methode, maar niet voor de DCF-methode voor de waardebepaling. Er zou dus een correctie moeten plaatsvinden op de werkelijke cijfers, wanneer de gemeente buiten de bandbreedtes valt. Hoe dit onderscheid te rechtvaardigen is vanuit een bandbreedte van rente en financiering is niet duidelijk. In werkelijkheid bleek een veel groter deel van de gemeenten buiten de gegeven bandbreedtes te vallen dan verwacht. Wij verwachten dan ook nog veel discussies over de fiscale openingsbalans.

  • 30-05-2017
  • Tom Delleman